
Minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) scherpt de nieuwe Vlaamse onderwijsregels aan, waardoor scholen niet langer facultatieve verlofdagen kunnen inzetten voor een lokale jaarmarkt. Zowel historisch als vanuit educatief oogpunt een heel spijtige beslissing, vindt Kathleen De Clercq, PXL-lector Groenmanagement.
De discussie over de Vlaamse jaarmarkten kreeg onlangs een nieuwe wending. Steeds meer scholen kunnen door de aanscherping van de Vlaamse onderwijsregels niet langer een schoolvrije dag inplannen voor een lokale jaarmarkt. Een traditie die generaties lang als vanzelfsprekend deel uitmaakte van het lokale leven, lijkt daardoor langzaam terrein te verliezen. Jammer? Zeker wel. Want wie vandaag naar een jaarmarkt kijkt als naar een gezellig evenement met kermisattracties, marktkramers en een pintje, ziet maar een fractie van het verhaal.
Achter die traditie schuilt een stuk Vlaamse geschiedenis waarin landbouw, handel, landschap en gemeenschap nauw met elkaar verbonden waren. En wie dat verhaal helemaal wil begrijpen, komt vroeg of laat uit bij… schapen en herders.
Van vakantieherinnering tot landschapskennis
We gaan graag op vakantie, we snuiven graag andere culturen op. Als tuinarchitect krijg je niet zelden de vraag om een vleugje Provence aan een tuin toe te voegen door een rijtje lavendel, of dakplatanen boven een dolomiet terras voor gezellige zomeravonden vol jeu de boules. We brengen snippers van die cultuur mee naar huis en integreren die in ons dagelijks leven alsof we leven in een nieuwe romantiek, waarbij we na ons werk escaperen naar Spanje, Griekenland of zelfs Thailand en Mexico door de tapas, mezze, curry of taco’s op ons bord. We noemen onszelf dan ‘rijk’.
Het verwondert me elk jaar opnieuw welke knappe reizen onze studenten groenmanagement maken. Ze trekken rond in Kirgizië, spotten vogels in Georgië en bestuderen vlinders in Brazilië. Tegelijk verwonder ik me er elk jaar over hoe weinig ze vertrouwd zijn met onze lokale landschappen. Een mijnterril, een droge vallei, een holle weg of een hoogstamboomgaard: què?!
Dat is ook wel fijn natuurlijk. Het onderstreept de noodzaak van onze job, wanneer we op nog geen vijf kilometer van onze PXL-Green & Tech-campus in Diepenbeek zoveel nieuws aan onze studenten kunnen leren. Essentiële kennis ook, als je later beslissingen moet nemen over een landschap waarin een gemeenschap leeft, werkt, studeert en speelt.
Misschien is dat wel de paradox: onze studenten reizen de wereld rond om landschappen en culturen te ontdekken, terwijl er vlak bij huis soms evenveel te leren valt. Het ene sluit het andere gelukkig niet uit. Integendeel.
Een wollig stukje Vlaamse geschiedenis
Nog verder weg – nog dieper verscholen – ligt onze kennis over (en ons inzicht in) hoe Vlaamse steden vanaf ongeveer de 11e eeuw uitgroeiden tot wat we toen ‘het centrum van de wereld’ noemden. Denk aan de steden met hun lakenhallen, en de wereldberoemde wollen wandtapijten die in ons land werden vervaardigd. Ze waren in de 16e eeuw goed voor een tewerkstelling van wel 15.000 mensen. Daar kunnen we nu enkel nog van dromen.
‘Wollig taalgebruik’, daar zijn wij leerkrachten gevoelig voor. Maar toch zou het niet slecht zijn om beter te weten hoe wol en schapen ons taalgebruik en onze cultuur hebben beïnvloed tot op de dag van vandaag.
Een lakenhalle, meestal aan de markt, was het bruisende hart van de stad. Het laken, een wollen stof, werd er verkocht en daar was veel mee gemoeid. Je zou het kunnen vergelijken met de hedendaagse VOKA of POM, waar beslissingen worden genomen die impact hebben op soms wel meer dan zeven generaties.
Maar ook het slaapliedje ‘Slaap kindje slaap’ is verbonden met het feit dat we hier ooit meer schapen dan mensen hadden. En iedere veertiger (of zelfs dertiger) is opgegroeid met vijf minuutjes Tik Tak – neen, die Tak moet niet Tok zijn – dat steevast begon met een herder en schaapje.
En dan heb ik het nog niet over de duizenden toponiemen (plaatsnamen) die verwijzen naar schapen en herders, zoals Groenstraat, Schapestraat, Valgaar, Vroentestraat, Driesstraat, Broekstraat en vooral het Dorpsplein. Of onze familienamen zoals Lammers of Schepers. Grote steden met een historische kern hebben hun Veemarkt, die – als het goed is – nog steeds goed in de schaduw ligt van bomen.
Geen transhumance in Vlaanderen
Om dat te begrijpen heb je kennis nodig van cultuur, een cultuur die verschilt naargelang de geografie.
In montane gebieden zoals de Alpen, Pyreneeën, Apennijnen, Taurus en Kaukasus trokken de voorbije eeuwen – en vaak nog steeds – herders met hun schapen in de lente de bergen in. Daar verbleven ze gedurende een hele zomer. Ze profiteerden van het malse gras en de ‘Ricola-kruidenbonbon-rijkdom’.
In de herfst trokken de herders met hun kudde, die ze ondertussen tegen wolven hadden beschermd, weer naar de dalen. Daar konden de ooien rustig de winter doorbrengen.
Die twee grote bewegingen, naar de bergweides en weer naar de dorpen in de dalen, noemen we transhumance. Een film die dat prachtig illustreert, is Brokeback Mountain. Misschien kwam je ooit rijker van een paasvakantie in Italië of Turkije terug en maakte je gewoonweg zo’n transhumance mee. Want nog steeds wordt die traditie in die gebieden in ere gehouden.
Knap toch, zo’n mooie tradities. Geen toerist die daar iets aan wil veranderen.
Tradities in Vlaanderen: schapen, herders, heerdgang
Tradities zijn belangrijk. Ze bepalen een cultuur. Geen Maaslander wil zijn carnaval missen, maar ook nieuwe tradities kunnen ontstaan. Zo zijn we gegroeid tot een festivalland waar grote namen graag de mainstage vullen en waar chirofeestjes kunnen uitgroeien tot festivalwaardige events.
Tradities zijn dus een vorm van erfgoed, het zogenaamde immateriële erfgoed, dat maar net zo lang kan bestaan als er draagvlak voor is. Denk maar aan de hele heisa rond Sinterklaas en zijn helper.
UNESCO erkent die vorm van erfgoed. Zonder tradities zijn immers vaak ook de materiële vormen van erfgoed maar moeilijk te bewaren, tenzij ze van een uitzonderlijke schoonheid en grootsheid zijn waar we alleen maar verwonderd over kunnen zijn, zoals de piramides in Egypte.
Tradities in Vlaanderen kunnen we, al zijn we er ons niet altijd van bewust, in heel veel gevallen linken aan schapen en herders.
Maar dan is het goed om te weten dat de herders van hier geen transhumance deden. Want eerlijk gezegd: wat wij ‘bergen’ noemen, zoals de Venusberg of zelfs de Kemmelberg, zijn maar rimpeltjes op een kalme zee als je ze vergelijkt met montane gebieden.
Toch hadden wij eeuwenlang een traditie om schapen te houden en nog wel op een manier waar omringende landen naar opkeken en waarvan ze wilden bijleren.
In ons land verzamelden de bewoners dagelijks hun schapen op de dorpsweide, dries of vroente tot er een dorpskudde ontstond van ongeveer zestig schapen. De dorpsherder, die daarvoor officieel werd aangesteld, trok via kleine wegen, paadjes en tussen hagen door naar buiten het dorp gelegen ruwe graslanden, heides of soms ook stoppelvelden, waar hij de schapen ongeveer acht uur liet grazen.
’s Avonds wandelde hij terug naar het dorpsplein, waar in veel gevallen ook een drinkpoel was. Ook daar danken straten of pleinen hun naam aan, zoals de Klappoel in Borgloon.
Na het drenken van de schapen gingen ze op stal bij de eigenaars, die ’s morgens als ‘bedankje’ een paar keutels kregen waarmee ze hun moestuin of akkertjes konden bemesten. Substral in een flesje bestond immers nog niet.
Die dagelijkse beweging met de dorpskudde heet heerdgang en is eigenlijk in bijna niets te vergelijken met transhumance.
Van schaap naar jaarmarkt
Dat heerdgangsysteem werkte bijzonder goed. Behalve keutels, wol en melk leverden de schapen ook lammetjes die op hun beurt weer goed grootgebracht konden worden. Ondanks hongersnoden waarover we soms lezen, was er ook vaak overvloed.
Met die overvloed trokken de dorpelingen een keer per jaar naar de grote stad om de overschot te vermarkten. De Hasseltse Havermarkt was zo’n plaats, maar voor sommigen zit de Veemarkt van Sint-Truiden nog goed in het geheugen.
De boer was de bevoorrader van de stad en de jaarmarkt was het absolute toppunt daarvan. Het was een moment van rijkdom, overschot en feest. Niet zelden kreeg die dag een aparte naam, zoals Kermisdinsdag.
Alles stond in het teken van die jaarmarkt. Echt alles.
En precies daar ligt de link met de actualiteit van vandaag. Als we een jaarmarkt reduceren tot een gezellig uitje waarvoor een school eventueel nog een dagje vakantie moet geven, dreigen we te vergeten wat zo’n dag historisch betekende. Een jaarmarkt was een economisch, sociaal en cultureel moment waarop een gemeenschap samenkwam. Er werd verkocht, gekocht, onderhandeld, gegeten, gedronken, kennisgemaakt en gefeest.
Het was de plek waar de boer en de stad elkaar vonden.
Immaterieel erfgoed leeft alleen als mensen het blijven doen
Rommelen aan tradities is vragen om problemen, want je raakt er mensen mee in hun identiteit. Ze sluiten de rangen en gaan ertegenin, soms heviger dan wanneer een traditie vanzelf haar kracht verliest.
Sinterklaas en Santa Claus wedijveren nu ook al enkele jaren en hun helpers en elfjes zullen daarvan de gevolgen dragen. Zolang de essentie van de fantasie van een goedgevige man blijft bestaan, is er nog altijd een traditie.
Want anders dan met ons materiële, tastbare erfgoed – kerken, begijnhoven, belforten, art nouveau en schilderijen van Rubens – veranderen tradities van gedaante.
Soms heeft een traditie wat ondersteuning nodig om te kunnen blijven bestaan. Bij een jaarmarkt, die we nu misschien te graag zien als een gezellig uitje, was en is het nochtans hard labeur om de goederen te verplaatsen, te onderhandelen over prijzen, op te boksen tegen concurrenten en vooral een goeie netwerker te zijn.
Boeren en bij uitbreiding marktkramers zijn nooit vies van goed doorwerken, ‘knallen’ zoals we het vandaag noemen. Het was en is dan ook die topdag in het jaar.
Wat een jaarmarkt ons kan leren
‘Knallen’ is iets wat leerlingen en studenten moeten kunnen, meestal vaker dan één keer per jaar. Doorzettingsvermogen, presteren onder druk, ondernemen, samenwerken, netwerken: er zijn bij mijn weten geen handboeken die dat allemaal in één keer aanleren.
Maar een goed georganiseerde jaarmarkt getuigt van ondernemerschap. Ze promoot lokale producten, toont wat we kunnen en brengt mensen samen. En daar kan je maar beter jong van leren.
Misschien is een schoolvrije dag voor een jaarmarkt dus niet zomaar een verloren lesdag. Misschien is het net een les die zich buiten de schoolmuren afspeelt.
Een les over geschiedenis, economie, landschap en ondernemerschap. Maar vooral ook over gemeenschap.
En misschien moeten we daarvoor af en toe eens naar het schaap kijken. Want tussen transhumance en heerdgang zit een wereld van verschil. Maar in beide gevallen gaat het uiteindelijk over mensen die hun omgeving begrijpen, zich eraan aanpassen en samen een manier vinden om er te leven.
Dat is misschien wel de belangrijkste les van allemaal.
Contact: kathleen.declercq@pxl.be
